Gedichten over Zwolle

Gedichten over Zwolle


Blauwe ramen


Zoeken wij naar hoge klanken
rafelig in ons bestaan
zakt de zon weg in de avond
licht het leven uit te gaan

zien wij op naar blauwe ramen
valt het roestig licht daar in
blijven wij onszelf beamen
spiegel van de tegenzin

horen wij het glasgerinkel
schuilen wij benauwd bijeen
wijst de gloed ons naar de morgen
dwars door al het duister heen

zien wij op naar blauwe ramen
valt het roestig licht daar in
blijven wij onszelf beamen
spiegel van de tegenzin

mensen zien gekleurde ruiten
vullen zelf hun dagen in

boven binnen onder buiten
dan weer terug naar het begin

Trijntje Gosker, december 2013

Op muziek gezet door Mip van der Heide en uitgevoerd door De Koor op 17 mei 2014 in Waanders aan de Broeren te Zwolle


Zwolle toch


Je zal toch mogen liggen aan de IJssel
en zacht rugschurkend met de Vecht,
aan beide kanten van het Zwarte Water…

Je zal toch mogen dwalen door haar straten
en rondjes fietsen om haar kern of een
ballonvaart tussen Peperbus en IJsseltoren

Het centrum zijn van Nederlandse Sporen
dus graag verkozen tot vergaderpunt
met volgestroomde IJsselhallen als gegeven

Je zal toch stadsbestuurder mogen wezen
of tuinontwerper van Europa’s groenste stad
of kind dat spelen kan in alle wijken

En mocht ze in haar eigen Spiegel kijken
dan greep ze daartoe alle kansen aan
een stad die stroomt laat zich niet vergelijken.
Toch?

Trijntje Gosker, 2007


Wees Zwolle een stad


Wees een stad, Zwolle,
wees een stad van allure
met alles erop en eraan, beleef het
met Kampen en Hattem als
buren, laat Lünen logeren
binnen je muren, wees gul
en ruimharig de stad die
zo lang al van IJssel
en Vecht mocht bestaan
aan de Aa.

Wees een stad, Zwolle
wees de stad van de Hanze
waar handel je welvaart bracht
met schepen vol koren en
brood op de planken met
kerken vol klokken en banken
vol geld en wees dapper

Wees een stad en wees dapper
wijs alles wat gokt van de hand
blijf bij je rijkdom: de jeugd
die hier opgroeit, met toekomst
die klinkt als muziek in je oren
laat Hedon het horen en draag
op je hoofd de koperen kroon
van de toren, de haan
die de dag kraait en ziet

die ziet hoe de stad
deze stad aan het water zich
buigt voor de toekomst voor alles
wat stroomt, die buigt voor het water,
het water dat hoger en hoger

Ja, wees een stad,
wees Zwolle, een stad
wees en verbaas je,
verbaas je alom
over je markt en over je wijken
en alle kleuren die jij in je draagt
weet van geen wijken
wanneer het je gaat om
de mens van vandaag
en verbaas je
verbaas je over het kind in de straat
dat jou naar zijn knikkers laat kijken
rood en groen en paars
verbaas je en wees

Wees een stad die haar dichters
de kans geeft te spreken in spiegels
en raadsels van taal en in
tekens van weten in beter
in tegen en beter in weten wat leeft

in de stad, aan de gracht
overdag, in de nacht
in musea en stegen vol bier
Zwolle,
ook stad van cultuur en plezier
wees jezelf en wees wijzer
Wees Zwolle mijn stad

Wees Zwolle de stad van
tweeduizendzeven
groei in je voegen
en leef uit de kunst
zoek het in schoonheid
historie met voeten
voel hoe het voelt
goudeerlijk en groen
wees Zwolle de stad
van het goede, het pure
wees Zwolle mijn stad
met je eigen allure.

Trijntje Gosker, 2007


De IJsseltoren


Zie daar hoe licht haar blik zich richt
naar de eindeloze rijen op de snelweg uit het westen
naar de rijkdom van de IJssel, golvend water en metaal

staat ze daar. Haar strakke rug bepaalt
dat niets haar uit het evenwicht zal brengen
in het belang van de balans

haar brede boezem boezemt vrees in
– of vertrouwen-, veilig achter dubbel glas
schittert zij hoger dan hoog

genoeg is meer dan veel, zegt zij
en torent daar dan boven uit
sierlijk zonder krullen

zo kijkt zij, zwijgt zij, neemt en krijgt zij
zonder meer, met haar handen op haar heupen,
Zwolle aan haar voeten.

Trijntje Gosker

Bij de komst van de IJsseltoren aan de A28
Gepubliceerd in De Stentor, 26 januari 2006, Gedichtendag
Gepubliceerd in het promotieblad van ABN-AMRO, september 2006


Potgieter


Verscholen staat zijn sokkel
tussen struiken aan de singel
als ik hem ontmoet

is het herfst
maar geen blad en geen hand
om dat beeld te beschrijven

doop de pen in de inkt
neem het blad van zijn mond
wil zijn Gids zijn

ja, leid hem langs regels en punten
naar tekens van toen en van thuis.
maar waar moet hij heen?

Sinnepoppen verdween
met emblema in kluis van de gevel
De Buitenkant zweeg

en werd leeg Everardus
alleen jij
alleen jij bent gebleven

als ik je ontmoet
glijdt jouw blik in de gracht
als een spiegel in zwart

het lijkt nacht
maar wordt lente
dus wacht er nog wat

voor de dichters
van nu
hier in Zwolle

Trijntje Gosker, 2005

Everardus J. Potgieter, 1808-1875, geboren in Zwolle, medeoprichter van De GIDS in 1837.
Het literair café in de Sinnepoppen, gevestigd aan de Buitenkant, sloot in 1998.
Het emblema aan de gevel bestond uit kat, kaars en raadsel.


Zalkerveer


De steiger ligt verlaten aan de oever
de avond kabbelt zachte watertaal
de veerman is reeds lang naar huis vertrokken
de bel hangt zonder klepel aan de paal

Mijn lief staat aan de overkant te wachten
ik hoor zijn stem die ik niet kan verstaan
het water is te breed, de veerman is vertrokken
ik zoek een stok om op de klok te slaan

dan breekt het schemer landschap even open
die vage armzwaai is die nog voor mij?
de nacht zal lang zijn nu de veerman is vertrokken
en kille stilte rimpelt traag voorbij.

Trijntje Gosker, 2004


Hoop


Een oude wilgenbast kan nog verhalen
hoe oliesmerig ooit de IJssel was
als ik ging zwemmen: kringen om mijn hals.

De kale knot wil graag vertellen hoe kuddes
koeien zonder gele flap het groen vergraasden
voor de vlaaien: hun hoop op malser gras.

Wat nieuwe twijgen zagen treurig toe
hoe stoere shovels stukken dijk verschoven
de stroom nam af: stroomafwaarts nam zij toe.

Een witte stier ligt nu met koe en kalf
– geflapt als op vakantie –
onder de oude wilg, ik kijk

vanaf de dijk en wijs mijn kleinkind
op dit schone wonder en treur
niet om wat vroeger anders was.

Trijntje Gosker
Rondje Zwolle, 2003


Aan de IJssel


De zon verkleurt het wolkendek
tot schaduw van zichzelf
een laatste gloed
als afscheidsgroet
streelt kabbelend het water
vee zoekt wat bomen voor de nacht
daar roept een hoge vogel
dat hij de Dag verwacht.

Het is mijn moeder die zich
in de schaduw plaatst en
zachtjes wegglijdt
uit het stromend water
het vee, de meubels die zij
achterlaat en daar
die vogel, die maar tatert
over later.

En nu het water stil-
gevallen is
en kleine muggen
nog wat zachtjes zoemen,
besef ik pas hoe dierbaar
ze me is en dat ik nu
haar naam
zou willen noemen.

Trijntje Gosker, 2003